Nederlandse militairen in Duitse krijgsgevangenschap 1940-1945

Demobilisatie en Verklaring op erewoord

Ten tijde van de capitulatie van de Nederlandse Strijdkrachten zijn er nog veel militairen aanwezig in het land. Ongeveer 20.000 van de 280.000 militairen bevinden zich in Duitse krijgsgevangenschap. Als een gebaar van goede wil worden deze militairen begin juni 1940 door Hitler terug naar huis gestuurd. Het Nederlandse leger wordt gedemobiliseerd en per 15 juli 1940 moet dit proces zijn afgerond. De Duitse kolonel Schwabedissen wordt hiermee belast.

Op 20 juni worden verdere details betreffende de demobilisatie bekend gemaakt. In de “weitere Massnahmen für die Demobilmachung der ehemaligen niederländischen Wehrmacht” staat, dat de dienstplichtigen zonder meer worden ontslagen. Wie geen werk heeft kan kiezen voor vrijwillig werk in Duitsland of om dienst te nemen in de op te richten Opbouwdienst. Van de beroepsmilitairen wordt verlangd, dat ze “eine Ehrenwörtliche Erklärung” afgeven, waarin ze beloven niets tegen het Duitse Rijk te zullen ondernemen. De exacte tekst volgt later. Tevens is opgenomen, dat de beroepsmilitairen na hun ontslag een meldingsplicht hebben. De keuze voor hen is: werk in de vrije economie, dienst bij politie, opbouwdienst, douane of andere overheidsinstelling of als laatste pensionering. Voor de afwikkeling van de demobilisatie blijft een klein aantal militairen in dienst. Wie weigert de verklaring op erewoord af te geven, wordt als krijgsgevangene afgevoerd naar Duitsland.

In de tussentijd begint een discussie en correspondentie over de af te leggen verklaring. Niemand weet nog hoe die precies zal luiden. Op 26 juni 1940 schrijft het hoofd van het afwikkelingsbureau, kapitein Hasselman, dat beroepsmilitairen moeten kiezen tussen het afgeven van een verklaring en ontslag of het weigeren van de verklaring gevolgd door krijgsgevangenschap. “Ik raad aan de verklaring op erewoord af te geven” besluit hij in zijn brief. Dit stuk wordt zonder medeweten van de Opperbevelhebber Land- en Zeemacht generaal Winkelman verzonden. Ook het Algemeen Hoofdkwartier deelt mee “er niets van te weten”.

Op 1 juli wordt een eerste concept van de te geven verklaring bekend. Generaal Winkelmans reactie is natuurlijk van groot belang voor de officieren. Zijn mening zal voor velen bepalend zijn of ze zullen weigeren of niet. helaas wordt Winkelman op 2 juli 1940 van zijn bed gelicht en in krijgsgevangenschap afgevoerd. Winkelman had een passage opgenomen willen zien, waarin de mogelijkheid werd geboden om het gegeven woord te allen tijde terug te kunnen nemen. In een telexbericht van 7 juli 1940 wordt deze mogelijkheid nog eens nadrukkelijk weergegeven.

In de dagen tot aan 14 juli 1940, de dag waarop getekend of geweigerd moet worden, is er een verhitte discussie over het wel of niet afleggen van de verklaring. Is het een inbreuk op de gegeven officierseed aan HM de Koningin of kan men wel tekenen maar hoeft men zich niet aan het gegeven woord te houden? Voor de Landmacht en de Marine is er geen voorschrift, waarin het geven van een erewoord aan de vijand wordt beschreven. Voor het KNIL bestaat dat wel en voor hen is het verboden. Door Schout-bij-Nacht Heeris, Chef van de Marinestaf, wordt aangegeven, dat iedereen het zelf moet bepalen maar dat het tekenen niet als een inbreuk op de officierseed wordt gezien door hem. Op 6 juli 1940 laat hij hierover een verklaring uitgaan.

Heel anders is de reactie van Kolonel Van Alphen, Chef staf van het Algemeen Hoofdkwartier. Hij vindt het tekenen van de erewoordverklaring een landsbelang en laat dat aan zijn officieren per brief weten.

De KNIL-militairen hebben geen probleem: hun voorschrift verbiedt het tekenen van een erewoordverklaring. Toch tekent de helft van het aantal in Nederland aanwezige KNIL officieren. Voor de cadetten van de KMA wordt het ook niet als een probleem gezien: zij hebben de officierseed nog niet afgelegd en kunnen gerust tekenen. Voor de adelborsten ligt het nog anders. Zij zijn op 12 juli naar huis gestuurd en hebben deze verklaring nooit getekend, omdat deze hen nooit is voorgelegd. Zij hebben dus ook niet geweigerd de verklaring te tekenen. Op 14 juli 1940 moet deze verklaring worden getekend op diverse plaatsen in het land. Van de ruim 2.000 beroepsofficieren en 12.400 onderofficieren en minderen tekenen 69 militairen de verklaring niet. Later zijn er nog 2 officieren die hun gegeven woord intrekken. De 69 die weigeren worden direct gevangen genomen en naar Oflag VI-a in Soest gebracht. Voor de erewoordverklaring van generaal-majoor A.A. van Nijnatten, C-III Legerkorps, klik hier.