Krijgsgevangen

Nederlandse militairen in Duitse krijgsgevangenschap 1940-1945

Ontsnapping 06-01-1942

Nadat op 5 januari 1942 luitenant Tony Luteyn en luitenant Airey Neave zijn ontsnapt, volgt een dag later het duo luitenant Herman Donkers en John Hyde-Thompson dezelfde route. Het volgende verslag is van Herman Donkers, zoals hij zich dit in 1981 kan herinneren voor het boek “Officieren achter Prikkeldraad” van Leo de Hartog. De foto’s zijn gemaakt door Karel Margry, die voor After The Battle (40-45 Toen en Nu) in 1988 naar Colditz is geweest en het artikel Colditz heeft geschreven (afl. 63). Foto’s mogen met toestemming van After the Battle worden gepubliceerd.

“Vertrekpunt onder het toneel, waarop een concert aan de gang was. Door Hank Wardle opgetild en door een vooraf gemaakt luik naar de zolderverdieping getild.

 

 Daar verkleed (als duitse officieren) en door een deur naar de zolder. 1e trap naar beneden.

Maar eerst 10 minuten wachten tot de helpers alle sporen hadden uitgewist en weer onder het toneel zaten.

Langs de kamer van de officier van piket / officiersmess.

2e trap af langs het wachtlokaal.

Geen moeite met de schildwachten, door het verrassingseffect praktisch uit het wachtlokaal te komen.

Idem geen moeite met de schildwacht bij de poort.

 

Over de brug en dan meteen linksaf door het poortje dat open stand en zo niet, voldoende tegen inkijk door geboomte en struikgewas was beschut.

Dan over de muur. Was niet nodig, het poortje was open, pad op naar het park. Daar wel een muur over

het bos in, omkleden en kleding verbergen. Zoveel mogelijk door het bos tot de weg naar Leisnig. Het was akelig koud, -20 graden. Rusten of stilstaan was er niet bij, dan bevroor je in je schamele kleding.

Het werd een brokkenreis. Waar blijf je om ongeveer 12 uur ’s nachts in de kou als je het dorp wil vermijden? Toch doorgelopen en prompt opgepikt door 2 Schupo’s (Schutzpolizei), die terecht die twee vreemdelingen in het dorp maar vreemd vonden. Bekaf en toch blij met de warmte en de Ersatzkaffee op het politiebureau. Hoewel John voor de oorlog in München een dolmetscher-cursus had ddorlopen, was zijn duits afgrijselijk engels. Ik had met hem afgesproken, dat hij altijd zijn mond zou houden. Bij de politie viel hij, ook door de warmte, prompt in slaap en ik werd verhoord.

Onze uitstekende papieren gaven op alle vragen antwoord. Maar wat deden wij dan zo laat op straat? Verdwaald, wij hadden een Ausflug gemaakt op de vrije Driekoningendag (6 januari), om de mooie natuur en de typische dorpjes te bewonderen. Waren verdwaald en wisten helemaal niet waar wij waren. Aanval is de beste verdediging. Bel maar op naar de Borsig Lokomotivwerke GmbH Berlin, Zweig Leipzig en vraag het aan de nachtportier. Dan kunnen we meteen melden dat we morgen wel te laat zullen zijn. Zo gezegd, zo gedaan. De nachtportier, om 2 uur ’s nachts ook niet meer zo actief, bevestigde dat er veel buitenlanders werkten en dat 6 januari en vrije dag was. Hij noteerde ook onze namen. Ik heb ook nog even geslapen. We kregen een ontbijt en koffieersatz en een van de agenten bracht ons naar het station. Met hem in de buurt geen moeite met het kopen van kaartjes. Gute Reise en veel excuses. Van onze kant Vielen Dank en ongeveer half 6 reisden wij naar Leipzig.

In Leipzig aangekomen, bleek dat John zijn kaartje had verloren. Geen nood, ik ging alleen het station uit en weer in om twee kaartjes naar een nabijgelegen station te kopen. Daar kon ik uiteraard maar één van laten knippen. John zou ongeveer op dezelfde plaats als in het mijne een gaatje boren, Dat hij tevens in zijn vinger stak en het kaartje onder het bloed kwam, was niet de bedoeling. Ik heb hem zijn kaartje afgepakt en het bloed met mijn kaartje en mijn duim zo goed mogelijk bedekt. Daarna in versnelde pas door de controle, Leipzig in. De dag rondgehangen en gegeten “ohne Karte” in diverse kleinere Kneipe. Soep, Ersatzkaffee en soms ook brood was nog te krijgen. ’s Middags 2 films achter elkaar bekeken en om een uur of 6 weer richting station om ons op te knappen en de nachttrein via Regensburg, Augsburg naar Ulm te nemen. Zonder enige controle kwamen wij daar ’s ochtends aan. Het station uit, de omgeving verkend, om een afspraak te maken welke weg wij zouden nemen als het mis ging.

Het ging mis. 2 kaartjes naar Tuttlingen had tot gevolg, dat de juffrouw achter het loket naar een heerschap achterin snelde en heftig begon te praten. Ik rook onraad en wenkte John dat hij weg moest gaan. Om welke reden dan ook, loyaliteit of onbegrip, hij ging niet weg. Op weg naar de uitgang werd ik ingesloten door 2 agenten en ook John werd en passant meegenomen naar het politiebureau. Papieren keurig in orde. Men vertelde ons dat gisteren ook 2 man waren opgepikt en weer waren gevlucht (Luteyn en Neave). Dus wij kregen geen schijn van kans. Ik mocht mijn vak als electricien nog waar maken maar ook dat hielp niet.

De verscherpte controle op het station was ingesteld nadat een paar vliegtuigen waren neergeschoten en de bemanning nog niet allemaal was opgepikt. Het politieopsporingsregister gaf geen uitslag, dus onder strenge bewaking naar de gevangenis in Ulm. Een barre ervaring; elk op een aparte verdieping in een cel, alleen gekleed in ondergoed, een dunne deken en bijna geen eten. Onze lotgenoten waren het gewone geboefte maar mij viel wel op, zeer veel Duitsers die door zelfverminking een detachering naar het oostfront probeerden te voorkomen. Een schot in de voet, afgesneden vingers etc. Koud, niets te doen, niets te lezen anders dan het gescheurde krantenpapier in de toiletten. Puzzelen om er een leesbaar geheel van te maken.

Ik herinner me nog, dat ik, om de uren door te komen, uit mijn hoofd de formule van de lijn probeerde te vinden, die ontstaat als iemand uit het midden van een draaimolen naar de rand loopt. Het is mij niet gelukt maar het hielp wel de tijd door te komen. Het duurde gelukkig maar drie dagen, voordat wij werden afgevoerd. ’s Nachts op het station in Leipzig werden wij tot de ochtendtrein naar Colditz, ingesloten in cellen op het station. Ruim twee meter breed, van voren geheel getralied, vrij ondiep, tegen de achterwand bevestigd een lage leren bankbed. In het schemerdonker zag ik dat het bed reeds bezet was door een kreunende en steunende figuur onder een schamele deken. De enige manier in die kleine cel aan mijn rust te komen was met mijn rug naar hem toe naast hem te gaan liggen en een gedeelte van de deken op te eisen. Af en toe een por om een einde te maken aan dat gekreun. Een of andere zatlap dacht ik. Ik viel in slaap maar werd wakker van de kou. Bij een poging om meer deken te bemachtigen merkte ik, dat mijn bedgenoot ijskoud was en reeds stijf aanvoelde. Hij moet dus kort nadat ik bij hem ben gaan liggen zijn overleden. Ik ben nog nooit zo snel opgestaan. Rammelen aan de tralies en schreeuwen om hulp. Dat duurde nog even. Ik denk dat ze dat geschreeuw wel meer hadden meegemaakt. Tenslotte uit de cel gehaald, kreeg ik in de wachtkamer een kop Ersatzkaffee en werden we keurig afgeleverd in Colditz, om weer 7 dagen eenzame opsluiting in de cellen onder de poort, onder betere omstandigheden met lectuur etc door te brengen. Ik heb nog dagen gegruwd van dat voorval.”

Tekst afkomstig uit de collectie De Hartog van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie, inv.nr 460.