Krijgsgevangen

Nederlandse militairen in Duitse krijgsgevangenschap 1940-1945

Ontsnapping 04-10-1944

Op 4 oktober 1944 vindt er een ontsnapping plaats, waarbij 8 officieren betrokken zijn. Het zijn kapitein H. Romswinckel (Colditz-groep) en de luitenants Brackel, de Fremery, Schilperoord, Dijkman, van Slobbe, Vrins en van Helsdingen.

Hieronder volgt het relaas van Dijkman, die de ontsnapping op papier zet terwijl hij nog in het bezette deel van Nederland is. Hij besluit zijn verhaal dan ook met de hoop “zeer spoedig te kunnen voldoen aan de opdracht zich te melden bij de Geallieerden. Er scheiden mij op dit ogenblik nog 50 km. Dat ik nog eenig aandeel zal mogen hebben in de bevrijding van mijn eigen vaderland is een lang gekoesterde verwachting, die talrijke mogelijkheden tot vervulling in zich draagt. Nederland zal herrijzen!”.

De ontsnapping is eigenlijk al gepland voor augustus maar door “Dolle Dinsdag” hebben ze de overtuiging dat het geen zin meer heeft om te ontsnappen. Helaas is de euforie van korte duur en wordt de ontsnapping gepland voor 4 oktober 1944. Men krijgt uitgebreide theorie gedurende enkele dagen om op alle vragen een goed antwoord te kunnen geven. De “reisvereniging” beschikt over een spoorboek, waarmee alle gewenste aansluitingen opgezocht kunnen worden. De plannen worden enkele keren gewijzigd maar komen uiteindelijk toch weer uit op de basis: het doorknippen van het prikkeldraad.

“In het midden staan torens voorzien van een schijnwerper en sinds kort van een zeer oud model mitrailleur. Deze mitrailleur heeft een houten beschermkap, waardoor het enkele minuten duurt voordat ermee geschoten kan worden. Volgens onze waarnemers zit er ook geen munitie in. De schijnwerper gaat aan bij het donker worden, in ons geval ongeveer half zeven. Overdag lopen er geen posten om het kamp, hoogstens wordt er af en toe een ronde gemaakt. ’s Avonds wordt de nachtwacht betrokken en staat op elke hoek een post die steeds heen en weer loopt Om de 20 meter staat een booglamp, die niet al te groot licht na het invallen van de duisternis. Dat die booglampen zoo weinig licht geven komt doordat de Duitse electricien voor veel sigaretten er toe genegen bleek de lamp van het hok (40 watt) te wisselen met een buitenlamp (200 watt). Dit bleef niet tot een hok beperkt”.

“Nu nog het prikkeldraad om het kamp. We hebben een “warn-draht” (waarschuwingsdraad) een enkel prikkeldraadje, ongeveer een halve meter boven de grond. Daarachter ligt een strook keurig omgespitte en aangeharkte grond van een paar meter breed, waar niemand in mag komen en waarin voetstappen onmiddellijk opvallen. Dan volgt een hek van verticale en horizontale draden met grote mazen. Een paar decimeter niets en dan aansluitend Friese ruiters, K-rollen of hoe ze ook mogen worden genoemd. Onmiddellijk hierachter sluit aan een hoog hek als voor de Friese ruiter, naar schatting 3 meter hoog”.

Naast ons kamp lag de keuken en een aantal Duitse wacht- en arrestantenbarakken. Daarnaast lag een kamp voor Fransen en Serven. Het grappige was nu, dat het mogelijk was door het eerste hek heen te gaan en dan te kruipen voor de Friese ruiter langs in de richting van het middengedeelte waar de Duitse barakken stonden.
Daar was in de beide versperringen een hek gemaakt en was geen Friese ruiter. Dit hek was voorzien van hangsloten, die geen probleem vormden. Dit alles moest gebeuren tussen schemer (6 uur) en aangaan van de booglampen en het zoeken van de schijnwerpers (6.30 uur). Onze kleding was 7 man in Franse kleding en de achtste als nagebootste Duitse onderofficier. Hierdoor zouden we buiten het kamp in staat zijn rustig weg te wandelen, want het kwam veel voor dat Franse krijgsgevangenen op de akkers werkten onder toezicht van Duitsers. In het kamp stond een collega gereed als Hauptmann (kapitein) om bij schieterijen naar voren te komen en de Duitse wachtpost te intimideren en de leiding in eigen hand te nemen.

Even over zes wordt de eerste weggebracht onder camouflage en gezichtsdekking van enige tientallen figuranten die van de prins geen kwaad weten en langs het prikkeldraad wandelen. Ongemerkt kan nr 1, de knipper, over de warndraht springen en beginnen om een gat te maken in de eerste versperring. De “Duitse” onderofficier volgt als tweede , ik als derde; het gaat bijster vlug. Door het gat heen onmiddellijk naar links, de slurf in en ongeveer enige tientallen meters naar het hekje, waarachter de vrijheid lokt. Daar is nr 1 al bezig. Alle acht liggen we dicht tegen elkaar aan. Nr 1 steekt zijn hoofd naar buiten, kijkt links en rechts en alles achter elkaar naar buiten. We ” robben” een hondertal meters door een koolveld en komen aan bij het bos. Alles veilig. Vlug wensen we elkaar goede reis en twee aan twee vervolgt ieder zijn reis. Ik ben samen met nr 1 ( Brackel ).

Als eerste moeten we ons nu verkleden en ons ontdoen van de franse uniformkleding. We staan daarna in burger, wat mij betreft bestaat uit een bruine regenjas, een marine-broek en een voor het oog onzichtbaar fluwelen militair huisjasje, op mijn hoofd een hoed, die steeds meer in fatsoen komt. De regenjas had ik bij me, toen ik op 15 mei 1942 krijgsgevangen werd gemaakt. Om ervoor te zorgen dat deze burgerkleding niet naar huis gestuurd hoefde te worden, had ik met tandpasta en een matrijs er heel fraai de letters KGF op gemaakt. Op het moment van ontsnappen was even borstelen voldoende om deze letters er weer af te krijgen.

Bij het verkleden blijkt, dat Brackel zijn papieren in het kamp heeft laten liggen. Hij bied aan om alleen verder te gaan maar dat wil ik niet, misschien halen we Berlijn wel samen want daar kunnen we wel aan nieuwe papieren komen. Welke papieren hebben we nodig? Allereerst een pas ten teken dat je een vrije arbeider bent, verder een verlofpas, reisvergunning en geld. De pas en het geld had ik clandestien in het kamp gesmokkeld. De pas was weliswaar van een ander maar dit kon in het kamp worden veranderd. Een nieuwe foto met een pracht stempel, een verlenging van de pas want die was verlopen, een ongeldig verklaring van een Aufenthaltserlaubnis voor Berlijn, een stempel als “ausgereist”, een andere stempel dat ik weer was binnengekomen en tenslotte een nieuwe verblijfsvergunning voor “das ganze Reichsgebiet”. Hierbij hoorde een lidmaatschapskaart van de “Betriebskrankenkasse”, een bewijs dat ik wegens zeer bijzondere “Leistung” voor “kriegswertige Einsatz” extra verlof had, een reisvergunning van Neubrandenburg-Berlijn en omgekeerd, een vals persoonsbewijs (helaas op een andere naam) en de nodige Reichsmarken.

Lopen is nu het devies. Alle 4 groepen hebben ieder een ander station toegewezen gekregen om op de trein te stappen, dit om opstopping te voorkomen. Eerste reisdoel is Berlijn, waar we nadere instructies zullen krijgen. De eerste nacht buiten was geen pretje, in alles en iedereen zag je iemand die een aanslag op je wilde plegen. Bij mij uit zich dit in kortademigheid; ik moet echt naar adem zoeken. Midden in de nacht komen we nog een ander tweetal tegen; de wereld blijft toch maar klein. Om 01.00 uur komen we aan in de buurt van ons station, we moeten ons nu verborgen zien te houden. Omdat het toch wel koud is, besluiten we toch te gaan lopen rond een uur of vijf. We zijn in het plaatsje Warbende. We hadden in Bad Blankensee op de trein willen stappen maar we horen Nederlandse stemmen: het zijn de collega’s die we ’s nachts ook al hadden ontmoet.

Volgens de dienstregeling vertrekt de eerste trein richting Berlijn om 06.45 uit Warbende. Kaartjes kopen doe ik, Red (codenaam voor Brackel) heeft immers geen papieren. Rechtstreeks naar Berlijn gaat niet want voor een traject van meer dan 100 km heb je speciale papieren nodig en ik wil geen risico nemen. Dus worden het 2 kortere trajecten, waarvoor geen papieren nodig zijn. Het kopen van de kaartjes vormt geen enkel probleem en zonder enig wantrouwen wordt mijn biljet van 10 Reichsmark gewisseld. De trein komt aan om 07.15 uur en we zien vrouwelijk personeel. Overstappen in Neu-Strelitz, d.w.z. door de uitgang je kaartje afgeven, even buiten de stationshal en dan zo spoedig mogelijk een nieuw kaartje kopen en dan weer in dezelfde trein instappen. Langzamerhand wordt de trein steeds voller maar dat is niet erg, het maakt een eventuele controle alleen maar lastiger. En ja hoor, nadat ik voor de 4e keer in dezelfde coupé ben ingestapt, komen daar ook de andere twee reisgenoten van ’s nachts binnen! Je kent elkaar dus helemaal niet!

Ik kom aan in Berlijn zonder een enkele keer gecontroleerd te zijn. Ik stap uit in de Friederichstrasse en probeer Red te ontdekken, wat spoedig lukt. Even gaan we naar buiten om de talrijke kapotte gebouwen te bekijken. Daarna hetgeen we in ons hoofd hebben: contact maken! Vanaf de Friedrichstrasse met de U-bahn, dan met de Strassenbahn en tenslotte een eindje lopen. We moeten naar een bepaalde naam vragen, is die meneer er dan moeten we een toverformule uitspreken en dan weet hij dat ik safe ben en kunnen we verder open kaart spelen. Ik noem nu geen namen, straten, nummers van trams etc. Dat risico is te groot en daarom ga ik ook niet uitweiden over de ontmoeting. Het resultaat kan ik wel melden: we krijgen eten, we kunnen ons wassen. Ik ben als eerste naar binnen gegaan en heb pas daarna Red erbij gehaald. Niet lang daarna komen ook nr 3 en 4 erbij. Luchtalarm gooit roet in het eten. Het duurt niet lang, een schuilkelder gaat spoedig vervelen en daarna een biertje gaan drinken in een kroeg waar veel Nederlanders komen. Hier krijgen we ook onderdak. Ik kom terecht bij een arbeider op een zolderkamertje en in de paar dagen dat ik daar ben geweest heeft hij alles met mijn gedeeld.

We zijn gevlucht op woensdagavond, waren donderdagavond in Berlijn en zijn daar tot ongeveer zondag gebleven. De 4 anderen die ook met ons zijn ontsnapt uit Neubrandenburg blijken ook in Berlijn te zijn aangespoeld en zijn de volgende dag door gegaan. Twee in de richting van Zwitserland en twee in de richting van Hongarije. Zaterdagavond vertrekt Henk, zondagavond Red en ik en op maandag Bertus (allen codenamen). Alle 4 gaan we naar Nederland en nemen van daar uit verdere beslissingen. Uit veiligheidsoverwegingen houden we zo noordelijk mogelijk aan, want het front is ons iets te warm. Ook rijden de treinen niet meer tot aan de grens, behalve in het noorden. Met zes dagen verlof vertrek ik naar Emden, waar ik naar de begrafenis van mijn vader moest. De verdere opdracht is om clandestien de Nederlandse grens te passeren en in Nederland kan ik dan op meer hulp rekenen. Mijn vriend Red heeft een ander plan: hij heeft andere papieren waarmee hij officieel de grens kan passeren. In Berlijn raden ze ons echter ten sterkste af om officieel de grens te passeren. In Oldenburg neemt Red de beslissing: hij gaat via de officiële grensovergang. Ik reis alleen verder en ben in Leer uitgestapt, waar ik de Ems wil oversteken. Dit kan alleen met een Aufenthaltserlaubnis voor de Kreis Leer. Ik ben naar de brug gegaan maar ik durf er niet overheen te gaan. In Leer zie ik iemand met een PTT-pet en ik vraag aan hem inlichtingen hoe ik illegaal de grens over kan komen. Hij heeft geen inlichtingen over de grens maar vertelt wel, dat er in de stad een kamp is voor Nederlanders. Dit kamp heb ik opgezocht en het ziet er precies hetzelfde uit als in Neubrandenburg. ’s Avonds om 8 uur allemaal binnen, er is een Duitse Lagerführer en een paar gevluchte NSB-ers. Er blijken niet veel mogelijkheden te zijn om de grens over te komen. De volgende dag ben ik naar Emden gegaan in de hoop te kunnen oversteken naar Delfzijl. Maar Emden ligt geheel in “Trümmern” en ik besluit om terug te gaan naar Berlijn om dan officiële papieren te vragen om net als Red de grens over te gaan.

(wordt vervolgd…..)