Nederlandse militairen in Duitse krijgsgevangenschap 1940-1945

Liedjes en Teksten

In dit hoofdstuk geef ik een aantal liedjes en teksten weer, zoals die door verschillende krijgsgevangenen zijn opgetekend in hun dagboeken.

Stanislau-lied

Vanavond brengen wij wat vrolijkheid in Stanislau, met voordracht, imitatie en een lied

Een ieder zorgt dat pessimisme van de baan is nou, want huilgezichten zien we liever niet

Haal jezelf een keer uit de sleur, zet je zorgen eens op zij

En breng gerust met ons een avond door in Stanislau, voor de goede stemming zorgen wij……zorgen wij!

The spider and the fly (Johnny and Jones)

Zeg wat heb je mooie ogen, zei de spin tegen de vlieg

‘k Heb nog nooit een vrouw bedrogen, denk ook nu niet dat ik lieg

Oh vlieg, oh spin, dag vliegie, dag spinnetje

Spinnen zijn niet te vertrouwen, lieve vlieg, vlieg er niet in

Kom eens bij me op visite, ‘k heb een mooie grammofoon

Met veel hotte hotjazzplaten, mijn muziek die spant de kroon

Oh vlieg, oh spin ….

Heus ik ben voor non agressie, want ik ben ’n nette spin

Ik woon in een kogelflessie, loop een keertje bij me in

Oh vlieg, oh spin ….

En de vlieg gaf toen een pakkerd op die dikke spinnekop

En de spin gaf haar een smakkerd, toen vrat hij haar lekker op

Oh vlieg, oh vliegie, weg spinnetje

Spinnen zijn niet te vertrouwen, lieve vlieg je vloog erin

Scheiden doet lijden, afscheid brengt leed

Bye bye oh fly, oh fly, bye bye

Because she got into his parlour, unsuspecting little fly

 

If you know Suzy

Zeg ken je Suze, die dikke Suze

Oh, oh wat ’n brok vlees

‘k Was laatst een uurtje

Bij haar in ’t schuurtje

Oh, oh jongens wat een moordfiguurtje

En een huidje, zacht als satijn

’n Poezlig snuitje, honneponnig, lief en klein

Zeg ken je Suze, die dikke Suze, mijn liev’lings konijn

 

Nieuwjaarswens

De plaatsen zijn vergeven

Heel ons toneeltje staat vol

U hoorde de wensen van al onze mensen

Van elk in zijn eigen rol

Wij zijn O.K. gebleven

En staan weer voor u klaar

Om u wat vreugd te geven

En een gelukkig en voorspoedig Nieuwjaar

Wat mij vooral hier opvalt mijnheer de Commandant

Het mannelijk geslacht heeft hier alleen de overhand

De dames, Excellentie dat is ons grootst verdriet

Die zijn niet in de sterkte en men telt ze hier ook niet

Wij zijn O.K. gebleven ….

De meisjes, de vrouwen, het schone element

Die zijn bij ons in Stanislau mm…. nog onbekend

De vrouwen, de meisjes ginds in het Vaderland

Als wij die weer terugzien nou mm … mm …

Als wij die weer terugzien nou dan eten z’uit de hand

Wij zijn O.K. gebleven ….

Ik heb toch wel den indruk dat men u steeds verrast

Met deugdelijke aanvulling van uw provisiekast

De dames, Excellentie zijn werkelijk zo lief

Maar wat je al maar het liefste hebt, krijg je enkel in een brief

Wij zijn O.K. gebleven ….

Het ligt naar het mij voorkomt geheel niet in uw lijn

Dat mannen elken morgen weer aan ’t bed afhalen zijn

De dames, Excellentie, mist men dan werkelijk zeer

Maar ’s avonds als je ’t bed weer opmaakt, mis je ze toch nog meer

 

Poolsche Marie

Meisjes zag je vroeger bij de vleet

Als je maar een vinger uitstak had je een beet

Ja had ze rood en bruin en donker en blond

Zo plat als latten maar ook mollig en rond

Hier in ’t kamp zie je enkel maar een vrouw

Zondags door ’t raam van het voorgebouw

Toen we daar eens heen kwamen, ontdekten we een dame

We riepen te samen; Oh Marie!

Dat is een Hollands begrip, elke draaglijke kip

Met een lachje om haar lip heet Marie

Maar dit Slavische wonder was buitengemeen

Zij lachte niet met haar mondje alleen

Nee, ze lachte met alles door ’t prikkeldraad heen

Ach, bei mir bist du schön, Marie

Jones greep met geweld naar zijn gitaar

Als hij niet iets beters heeft, dan kluit hij in de snaar

We zongen week en wee van d’avond die daalt

En van ’t minnevuur dat d’harten doorstraalt

En intussen stond daar nog steeds die zus

Niet volvet, maar toch wel 40+

En ik dacht: lieve tijd, ‘k heb zolang niet meer gevrijd

‘k Ben de spelregels kwijt, O, Marie!

Als ik staar in je snuit, en de scheidsrechter fluit

Schei ik nergens mee uit, O, Marie!

Voor een vriendlijk praatje over jouw onderdeur

Zing ik in m’n eentje “De Rots” in mineur

Met een gloednieuwe tekst en het koor krijgt een kleur

Maar wat kan ons gebeuren, Marie!

Hij altijd secuur, raakte gans overstuur

Riep: ‘k Ga over de muur, O, Marie!

Zonder gang, zonder list, zonder Balkan of kist

Word ik toch nog vermist, O, Marie!

Ik smelt weg in de liefde, verdamp ongeveer

Jij vangt die damp op en slaat ze weer neer

En we worden zo heet als de Bessemer peer

En wat wil je nog meer, O, Marie!

Maar toen zei ik: nou, nou zeg, heb jij soms een pral

Is zij voor jou privé, die Marie?

Want al speel jij in de band op een Pools instrument

’t Geeft geen abonnement op Marie

Nee, geef haar maar een kladje Solali papier

Een zoen is een kruisje, zo doen ze dat hier

Net als in de cantine met een glaasje bier

Kijk, dat is de manier met Marie

Maar ach, op het hoogtepunt van het spel

Werd er hard geblazen, 5 minuten voor het appèl

Dat is in Stanislau het end van elk lied

Net als het leuk wordt is het weer: vertel je niet

We riepen dus nog in het Pools: so long

En kwamen weer terug op onze song

 

We zijn alles verleerd (What will you do…?) 

We zijn nu al dagen, maanden, uren

Achter de muren, zo iets dat went

Maar als men je plotseling een gaan liet

Dan wist je ja niet, waar of je bent

Want och we weten hier niet meer wat leven betekent

Want als je goed rekent, we zijn het verleerd

Buiten onze kast met laden en vakjes

Met busjes en zakjes, zijn we alles verleerd

En als iemand nabeschouwt

Wat hij in zijn la verstouwt

En met gort en havermout

Zich ocempeert

Dan is er verder niets, waar hij zich om druk maakt

Want wat z’n geluk raakt

Dat is ie verleerd, volkomen verleerd

Als we eens in Holland met z’n allen

Zo binnenvallen, als ’t zover was

En we zaten ’t zomers een paar uren

Zo bij de buren op het terras

Ik denk dat wij daar geen van allen voor zouden voelen

Want zitten op stoelen, dat zijn we verleerd

Liever languit op den grond of op een deken

En dan slapen, niet spreken, dat zijn we verleerd

En we trekken ’t frokje uit

En dan ook de sokjes uit

En het interlockje uit

Ongegeneerd

Totdat iemand zegt: o, wat ongepast nou

En denk oude gastvrouw….

Dat zijn we verleerd, volkomen verleerd

Wat we misschien enkel nog wel bliefden

Zo’n beetje liefde, dat was niet gek

Maar als in het begin soms wel enig

Het heeft ook menige tere plek

Bijvoorbeeld, als een meisje met je gaat koketteren

En je wilt reageren, dan ben je ’t verleerd

En als de popjes in haar ogen gaan dansen

En je zou willen sjansen, dan ben je ’t verleerd

Dat is iets wat je heugen kan

Want als ze niet deugen, man

Komen ze met leugens an

En ’t loopt verkeerd

Dus, als ze ons hier nog een klein poosje houden

Dan zijn we verkouden

We zijn alles verleerd, volkomen verleerd!

 

Hot Time in Stanislau

Ach ik haak naar een avond van vermaak

Hot time in Stanislau 

‘k denk zo vaak, we verliezen onze smaak

Hot time in Stanislau 

Nuchter en tip, zonder een kip

Pretjes zijn o zo dun gezaaid, halleluja- luja

‘k Snak ernaar zo’n anderhalf jaar

Hot time in Stanislau

En vannacht heb ik opnieuw eraan gedacht

Hot time in Stanislau 

Met een pracht van een vrouw, die lokt en lacht

Hot time in Stanislau 

Arm om haar leest, daverend feest

‘k Voel hoe de hele wereld draait, Halleluja – luja

‘k Snak ernaar zo’n anderhalf jaar

Hot time in Stanislau 

Eetzaal, O rijk versierd en goud op snee

Hot time in Stanislau

Krukje mee, dat geeft plaats genoeg voor twee

Hot time in Stanislau 

Liesje en Loes, Dancers en Blues

Jeetje, wat doen ze dat gehaaid, Halleluja

‘k Snak ernaar zo’n anderhalf jaar

Hot time in Stanislau

Kassian er is toch geen sprake van

Hot time in Stanislau 

Al wat kan, je droomt zo nu en dan

Hot time in Stanislau 

’t Leven gaat voort, of het zo hoort

Niemand die ’t einde daarvan raad, Halleluja

Nee meneer, we beleven het niet meer

Hot time in Stanislau 

 

Vlooienlied (The Latin Quarter)

In dit barakkenkamp, O ’t is finaal een ramp

Daar word je opgegeten door de beesten

Cadet of Generaal, we hebben ze allemaal

En ieder heeft beslist de meeste

Ze springen op de vloer, ze liggen op de loer

Ze vallen aan uit kieren en uit gaten

En of je danst of springt, en je in bochten wringt

Ze laten je des nachts niet slapen

De vloo is een macquis, hij doet aan strategie

Hij prikt je hier en daar, en neemt de latten

De luis valt van het plafond, negeert zo elk cordon

En doet aan verticaal omvatten

‘k heb zo’n jeuk, jeuk, jeuk, jeuk, jeuk, jeuk (elk 4x)

wansen, maden, vliegen, rupsen, luizen, vlooien

Ha kijk, ‘k heb er één, O, nee daar springt hij heen

Als je in ’t hart verschiet, voor het eerst je vrouw weer ziet

En op de drempel een hele lange zoen geeft

Dan blijft je plotseling staan, en roept uit: “laat me gaan”

Waar is ons waslokaal? ‘k Heb een vloo,

We zullen straks wel verder gaan!

 

Ziekenrapport

Ik moest laatst bij de tandarts komen

In kiezen kwestie is geen keus

‘k heb eerst een liter broom genomen

’t genoegen was maar dubieus

En terwijl de tandarts breeduit lacht

En beweert ’t is klaar terwijl u wacht

Zal ik u maar niet vertellen, wat ik zoal van hem dacht

Ik dacht die boormachine, veroorzaakt een ruïne

Ik hoorde alles kraken in mijn kaken

En de wereld liep gelaten op z’n end

Ik was een leeuw aan het temmen, ‘k kon in mijn zweet wel zwemmen

En bij de laatste stoot die ik genoot

Toen riep ie doodleuk om de volgende patient

En terwijl hij met een brede lach

Mijn latente zenuwtrekken zag

Zei ie zo in ’t voorbijgaan: “Ach ’t is gewoon een slag”

‘k was gister onder dokters handen

Er was iets dat er niet had moeten zijn

Ik zag me zelf al in verbanden

En tafels vol met vieze medicijn

O, ik zat geweldig in m’n naad

Want je weet niet wat er komen gaat

Met een beetje goede wil dan ga ik strakjes van de graat

Daar in die wapenkamer, langs de narcosekamer

Dat is een apparaat van dit formaat

En daarmee slaat ie je gewetensvol in slaap

Dan wordt je diagnose, zorgvuldig uitgeplozen

Ik moet gewoonweg weg, om me te leggen

In de handen van zo’n handig aesculaap

Maar de dokter zei alleen maar: “Kik,

geef mijnheer een vitamine prik

Op de tafel staat ’t flesje, met de pillen voor de schrik”

 

Moederlief hoe moet dat nou?

‘k Ben lang geleden opgepikt

En achter prikkeldraad gemikt

En met een man erbij die prikt

Moederlief hoe moet dat nou?

Ik leef veel te kunstmatig hier

Geen alcohol en ook geen bier

Maar er is wel een zaadofficier

Moederlief hoe moet dat nou?

Komt dat nou weer in orde, zo zoetjes aan

Zal dat beter worden, als we weer naar huis toe gaan?

Ik woon gewoon in een barak

’t Water siepelt door het dak

En langs de kanten van het gemak

Moederlief hoe moet dat nou?

‘k Lig hier al meer dan 2 jaar met

Een andere vent in hetzelfde bed

Gelukkig verticaal gezet

Moederlief hoe moet dat nou?

‘k Weet werkelijk niet wanneer

De tijd komt voor normaal verkeer

Ik draag ook geen pyjama’s meer

Moederlief hoe moet dat nou?

Komt dat nou weer in orde, zo zoetjes aan

Zal dat beter worden, als we straks naar huis toe gaan?

Geleidelijk zijn van allemaal

Ze alle 5 al aan de haal

En ik alleen ben nog normaal

Moederlief hoe moet dat nou?

‘k heb gisteren de was gedaan

Maar alles is gelijk vergaan

‘k heb enkel nog maar gaten aan

Moederlief hoe moet dat nou?

‘k krijg in alles onderricht

Maar word eenzijdig voorgelicht

En er is ook een koor gesticht

Moederlief hoe moet dat nou?

Komt dat nou weer in orde, zo zoetjes aan

Zal dat beter worden, als we straks naar huis toe gaan?

‘k Moet je ook nog zeggen dat

Ik een zenuwschokje heb gehad

‘k Moet met 20 man in ’t bad

Moederlief hoe moet dat nou?

De vrouwen worden hier geweert

‘k Ben de normen glad verleerd

En doe de hele boel verkeerd

Moederlief hoe moet dat nou?

Wat ik ook zeggen wou

‘k heb van mijn huwelijk berouw

En houd alleen van schoppenvrouw

Moederlief hoe moet dat nou?

Komt dat nou weer in orde, zo zoetjes aan

Zal dat beter worden, als we straks naar huis toe gaan?

Als ik dan op vrijgebied

Dus geen bescherming meer geniet

En als m’n vrouw me dan weer ziet

Moederlief hoe moet dat nou?

Ik ga weddenschappen aan

Hoe de zaken verder gaan

Maar dat komt me duur te staan

Moederlief hoe moet dat nou?

Ook het slapen gaat niet best

Bergen beesten in m’n nest

‘k Word de hele nacht gepest

Moederlief hoe moet dat nou?

Komt dat nou weer in orde, zo zoetjes aan

Zal dat beter worden, als we straks naar huis toe gaan?

Ben ik in ’t bijgebouw

Hoe ik dan die fles ook hou

Alles loopt me in m’n mouw

Moederlief hoe moet dat nou?

Ik speel rugby met verstand

Strande uit de vrije hand

M’n armen en benen in verband

Moederlief hoe moet dat nou?

Komt dat nou weer in orde, zo zoetjes aan

Zal dat beter worden, als we straks naar huis toe gaan?

Er is ook een fijne band

En een bende zonder end

En een end dat ieder kent

Moederlief hoe moet dat nou?

 

M’n eigen tuin (Elmers Tune)

Zie http://www.youtube.com/watch?v=KmM0_Ilaww8 

Ik heb een akkertje gekregen, langs het prikkeldraad gelegen

Als het warm is dan verga ik, en bij donderbuien sta ik

Op m’n klompen in de regen, van ’t ontbijt tot ’s avonds negen

In m’n eigen tuin

Ik heb geen tijd meer om te pitten, want er valt nog veel te spitten

Ik ben nergens meer aanwezig want ik ben hardnekkig bezig

Om m’n doperwten te spitten in de kou of in de hitte

In m’n eigen tuin

Taboe meisjes!, ik kijk alleen naar radijsjes

Ja radijsjes! Geven nog een prikkel als de meisjes er niet zijn

Ik moet de kluitjes nog gaan kloppen en de zaadjes nog onderstoppen

‘k Heb een hark gemaakt van blikken om de gaatjes mee te prikken

‘k Ga m’n eigen boontjes doppen, want ik kan geen sla verkroppen

In m’n eigen tuin

En als de zon begint te broeien, gaat het onkruid harder groeien

Niet te roeien dat bestaat niet, immers onkruid vergaat niet

En de sterrekersen bloeien van die mooie, groot als koeien

In m’n eigen tuin

En als ik m’n bloemenbed, de bloemen buiten heb gezet

En de spinazie is geplukt en de koolrabi is gelukt

Dan ga ik proeven nemen met het vitamine C tablet

In m’n eigen tuin

Taboe meisjes! Ik kijk alleen maar naar radijsjes

Ja radijsjes! Geven nog een prikkel als de meisjes er niet zijn

En als dan eindelijk mijn gebied van al dat onkruid is gewied

En alle zorgen zijn gedaan die met dat werkje samengaan

Geniet ik samen met Margriet de rijpe vruchten die ze bied

In m’n eigen tuin

 

Zussie (Nursy)

Langs de kant, in ons land, als de trein weer binnenrijdt

Ja, dan staan, langs de baan, lieve meisjes wijd en zijt

Met een lonk en een lach, is ’t een wonder dat ’t transport

Van de hoogste tot de laagste, wat opgewonden wordt

Zussie, ik heb zo vaak aan jou gedacht

Zussie, ik had ’t al zo lang verwacht

In mijn hart, da’s hier zo ongeveer

O,o,o daar krijg ik het alweer

Zussie, ik heb wat voor jou meegebracht

Grote kisten vol

Zussie, ‘k heb een prachtidee

Wacht een minuut of twee

Na inspectie en de desinfectie

Ga ik met jou mee

Lang gewacht, nooit gedacht, ja daar zijn ze inderdaad

Opgezweept, meegesleept, nu ’t feest beginnen gaat

Ieders lief, hartedief en de hele kinderschaar

Van de kleinste tot de grootste, ze roepen met elkaar:

Kappie, hoe kom je aan zo’n rare baard?

Pappie, hoe vaak ben jij nu al verjaard?

Dat verhaal vertelt ie nu alweer!

Oh, oh, oh da’s duizend en een keer

Sjappie wat heb je daar voor kleren aan

Die zijn half vergaan

Knap ie nou maar even op

Hier heb je vijftig pop

Na inspectie en de desinfectie

Stap ik met jou op

Zussie, kom eens wat dichter bij me staan

Gussie, blijf jij maar wat bij mij vandaan

In m’n hart bemin ik jou zoo teer

Oh, oh, oh daar krijgt ie het alweer

Kappie wat wordt je bleek, als je me ziet

Snappie dat nou niet

Wacht maar een minuut of twee

En ik zeg heus geen nee

Na inspectie en de desinfectie

Ga ik met jou mee

Op stap (uit de revue: 1,2,3,4,5,….vertel je niet)

Op stap, op stap, we gaan nu gauw

Op stap door Stalag Stanislau

Waar zoveel aan de hand is

Wat nieuw en interessant is

En alles wat ons zo verrast

Vertonen wij den hogen gast

Want iedereen is zwaar in touw

In Stanislau! In Stanislau!

Waar je Holland niet verwachten zou

Bij ons in Stanislau!

De zelfkook-keuken (Küche zum selbstkochen)

The Ramblers uit 1941 zie: http://www.youtube.com/watch?v=m95YS_XT1Is  vanaf 1.15 m

Dit is het lied van de zelfkookkeuken

En van de zelfkookkok

Hij staat altijd in de beste reuken en

Zingt daarbij in zijn hok:

Ik heb een keukentje, en een fornuis

Dat is mijn kamertje, dat is mijn thuis

Maar ’t allerbest menu wordt geen succes

‘k Mis in mijn keukentje alleen nog een princes

Ploeter ik voort met mijn kookgereedschap

Roerend in pot en pan

Proef ik van alles en voor je het weet: hap!

Hap! zeg ik nu en dan

Ik heb een keukentje en een fornuis

Dat is mijn kamertje, dat is mijn thuis

Maar ach mijn slankfiguur wordt geen succes

Ik groei gemiddeld zo per maand een duim of zes

Soms komen klanten met lekk’re hapjes

Veel noten op hun zang

‘k Luister maar half, want ik ken die grapjes

‘k Ga toch mijn eigen gang

Ik heb een keukentje en een fornuis

Dat is mijn kamertje, dat is mijn thuis

Elk potje is naar wens en tijdig klaar

Dat is voor mij geen kunst,want ik ben zelf goed gaar

Zo is de dienst van de zelfkookkeuken

’t Valt om de dood niet licht

Alles op tijd voor elkaar te beuken

En …. met een blij gezicht

Ik heb een keukentje en een fornuis

Dat is mijn kamertje, dat is mijn thuis

Want deze les kan niet genoeg geleerd:

De kok is voor de keuken …. en niet omgekeerd!

Chronische zieken

Hij ligt te zonnen in het gras

Of slentert in de Servenpas

Hij staat te wassen aan een plank

Of zit te kaarten op een bank

Hij schertst en lacht met iedereen

En blaast tabakswalm om zich heen

Maar ach, met hem is ’t lang niet pluis

Hij mag naar huis

Hij ligt te zonnen in het gras

Doch pijnen kwellen zijn karkas

Hij staat te wassen aan een plank

Maar is toch ongeneeslijk krank

Hij blaast tabakswalm om zich heen

Maar lijdt intussen ongemeen

Neen, het is werk’lijk geen abuis

Hij mag naar huis

Dus gij die nog zover niet zijt

Denk niet aan afgunst of aan nijd

En lijkt het U ook ongehoord

Slik in, dat rare, rare woord

En denk je straks ook: Bliksems, nou

Ligt Jansen lekker bij zijn vrouw

Bedenk toch, wat heeft hij daaran

Zo’n zieke man

Gun hem veeleer dat onze vrind

Weer spoedig een betrekking vindt

Gun hem desnoods dat hij straks fit

Op jouw voormalig stoeltje zit

En kom je zelf ook eens naar huis

Stuur hem dan fliks een bloempje thuis

Onthoud voor later: ik was kwiek

Maar hij blijft ziek

Ode aan een jamblikkie

In Holland daar ben je gemaakt j.b. (jamblikkie)

In vredestijd, voor de export

Met keurige plaatjes versiert j.b.

Werd je vol marmelade gestort

Maar ach, de kwam nooit over zee j.b.

Want de oorlog verlamde de vaart

En je werd op de markt gegooid j.b.

En voor Hollandse klanten bewaard

Zo kwam je op een dag bij mij thuis j.b.

En je stond met je zessen op een rij

Op de kelderplank bij and’re waar j.b.

En we waren zo trots en zo blij

Toen pikten ze me plotseling op j.b.

En heb ik er beroerd voor gestaan

Maar toen kreeg ik een keurig pakket j.b.

En daar had mijn vrouw jou bij gedaan

Je werd vrijwel onmiddellijk gemold j.b.

Hoe verduurzaamd je inhoud ook was

En ik likte je absoluut leeg j.b.

Tot je inwendig zo schoon was als glas

Maar toen brak er een tijd voor jou aan j.b.

Die je nooit of te nimmer had vermoed

Want jij werd mijn enigst servies j.b.

En aan tafel mijn enigste goed

Ik haalde mijn suiker en thee j.b.

En ik mengde mijn drankjes in jou

Je werd honderden malen gespoeld j.b.

En ik droeg je door regen en kou

Maar ik hield je steeds goed in ’t vizier j.b.

Dat je niet ongemerkt verdween

Als ’t nodig was riep ik: dat is mijn j.b.

Anders liep er een ander mee heen

Het gebeurde op een keer, welk een schrik j.b.

Dat ik jou in het washok vergat

Maar ik rende als een haas bij het idee j.b.

Dat ik afstand moest doen van m’n schat

En Goddank, je was nog present j.b.

Door een wonder was je blijven staan

Ik miste liever m’n halve tractement j.b.

Dan dat jij was verloren gegaan

Maar toen kreeg ik van iemand een mok j.b.

En al was jij ook fijn gevernist

Dat ding had aan een kant een oor j.b.

En dat had ik bij jou steeds gemist

Nu kwam jij steeds aan lagere wal j.b.

J’hebt als asbak nog dienst mogen doen

Maar je viel en kreeg deuk op deuk j.b.

En haast iedereen verwenste je toen

Voor de as kwam een dingske van glas j.b.

En jij werd bij het blikwerk gegooid

En we dachten na zo’n staat van dienst j.b.

Aan jou verderop nooit

Och de regel is steeds zo geweest j.b.

Men kwakert en koestert een tijd

Maar zodra er iets mooiers verschijnt j.b.

Is het oude zijn charme weer kwijt

Doch het leven dekt alles een af j.b.

Of men weinig of veel erom treurt

En dat is dus je enige troost j.b.

Ieder komt op zijn tijd aan de beurt

Het lied der pakjes

In een grote stapel pakken en dozen, manden, zakken

Zit de uitzoekploeg te ploeteren, te spatteren, te foeteren

Ze identificeren, bekijken, registreren

Die eindeloze horden totdat ze stapel worden

Van d’een is het adres eraf, wat een eindeloos gezoek gaf

Een tweede druipt de jam uit, een smeerboel als een mestschuit

Van nummer drie is het touw stuk, dat was compleet een ongeluk

Terwijl het vierde voor een vent is, die helemaal onbekend is

Maar onverstoorbaar werkt men voort daar in dat hokje naast te poort

’t Lijkt zo eenvoudig het ontvangen van zo’n pakje

Je zet de naam, je neemt het mee, en klaar is het grapje

Maar er is haast niemand die half weet

Wat een moeite en zorg het geeft

Eer kapitein Pieters in het bezit is van zijn hapje

Daar zitten in d’rotondes, waar ’t kouder dan gezond is

Twee stoere kapiteinen, die erg belangrijk schijnen

Ze hebben dikke boeken, waarin ze namen zoeken

Maar als om hen te plagen, heeft ieder wat te vragen

“Kom ik op de lijst voor”, “Het duurt weer vreeslijk lang hoor”

“Mijn nummer ben’k vergeten”, “De Afzendplaats wou’k weten”

“Is dit de lijst van half tien”, “Mag ik even in Uw boek zien”

“Ben ik al afgeroepen”, “Kan ‘k eerst nog even poepen”

En met een onverstoorbaar snuit, zitten zij daar dag in, dag uit

Met vier man op een rijtje, ’t is heus geen kleinigheidje

Staat men daar uit te reiken, de prüfers staan te kijken

Een stroom van lekkernijen, komt ieder daar verblijden

Om hen wat op te beuren, komt elkeen daar wat zeuren

“Waar is mijn inventaris”, “Of U nou eindelijk klaar is”

“Waar zijn mijn sigaretten”, “Wil jij op de vloeitjes letten”

“Waar blijft mijn balkanfilm nou”, “Zeg, geef me een stukje bindtouw”

“Ik mis een halve kruidkoek”, “Er is een blikje melk zoek”

En met een engelengeduld wordt daar een zware taak vervuld

Ontvangst in Stanislau (J.G. Westermann KGF 32188)

Samen zijn we gaan verhuizen, naar dat verre Stanislau

In Holland moesten we afscheid nemen van de hond en van de vrouw

Na een reis van 9 dagen in een boemelend’expres

Werden we met pap ontvangen, als een zuigling met de fles

Na een uurtje prüfend wachten, wisten we aldra wat mocht

Werden door een self-made hospik snel op luizen onderzocht

Allen kregen we twee dekens, een handdoek en een stukje zeep

Zagen dikke k.g.f.ers, waar geen mens iets van begreep

De tombola ging spoedig draaien, ieder werd met iets bedeeld

De nieuwe ploeg keek erg verheerlijkt, de oude garde wat verveeld

Dankbaar zijn we onze pleegpa’s, die hun voorraden spontaan

Aan hun voorraadloze pleegzoons gratis hebben afgestaan

Bonnen heb je hier niet nodig, er wordt vaak zwaar gedineerd

Ied’reen wordt dan erg luchtig, waar hij zich niet voor geneerd

’t Enige wat we erg missen is beslist de lieve vrouw

Maar zij denkt daarginds in Holland: Nou blijft hij tenminste trouw