Krijgsgevangen

Nederlandse militairen in Duitse krijgsgevangenschap 1940-1945

KGF 30293 J. Callenfels

Jacobus (“Kobus”) Callenfels (1896 – 1961)

 

Bij het uitbreken van de oorlog was mijn vader, toen luitenant ter zee 1e klasse, commandant van de onderzeedienst in Den Helder. Hoewel veel Nederlanders dachten dat Duitsland Nederland niet zou aanvallen, was mijn vader niet zo optimistisch. Hij zorgde voor een schuilkelder in onze tuin en de hele familie moest geregeld oefenen met het gebruik van gasmaskers.

Bij het uitbreken van de oorlog waren alle onderzeeboten erin geslaagd veilig naar Engeland te ontkomen maar moest mijn vader noodgedwongen achterblijven. In de oorlogsdagen zagen wij een bommenregen op Den Helder neerdalen, vaak lagen wij te schuilen onder de eettafel en konden we de schuilkelder niet eens bereiken. Na de overgave verhuisde onze familie naar Heemstede en ondertekende mijn vader de erewoordverklaring waarover elders op de site meer.


Hij werd vervolgens door de Duitsers aan het hoofd gesteld van een team dat de haven van IJmuiden vrij moest maken van de scheepswrakken die erin lagen. Zodra er een wrak was gelicht werd de lading er zo veel als mogelijk uit gehaald en liet men het zo vaak als maar mogelijk was weer zinken, tot grote ergernis van de moffen. Thuis hadden wij gedurende de gehele oorlog nog kaarsen die afkomstig waren uit het stoomschip ms. ‘Jan Pieterszoon Coen’ (1914) van de SMN dat tot zinken was gebracht tussen de noorder- en zuiderpier bij IJmuiden. Vaak bracht mijn vader nog andere buitgemaakte spullen mee naar huis. In mei 1942 werden de officieren opgeroepen zich weer eens te melden. Mijn vader vertrok ’s morgens zonder bagage in de overtuiging dat hij ’s avonds weer thuis zou komen maar dat gebeurde niet. Wij wachtten tevergeefs op zijn thuiskomst. Tot het einde van de oorlog was hij krijgsgevangen in achtereenvolgens Neurenberg, Stanislau en Neubrandenburg.

FotoStanislau1

Jacobus “Kobus” Callenfels staand geheel links.

Het kampleven staat elders op deze site uitvoerig beschreven. Om te voorkomen dat iedereen op eigen houtje een ontsnapping ging plannen, ontstond er al spoedig een comité, dat de Reisvereniging werd genoemd, waaraan alle plannen moesten worden voorgelegd. Dit comité stond onder leiding van een driemanschap, de luitenants ter zee 2e klasse Bussemaker, Van Strien en mijn vader. Alle ontvluchtingspogingen staan uitvoerig beschreven in het boek ‘De zak met vlooien’ van G. van Amstel. Er werden veel pogingen ondernomen waarvan slechts weinige met succes. Zij moesten tunnels graven, werktuigen stelen, bewakers omkopen en valse papieren en burgerkleding fabriceren. Zo heb ik een perfect nagemaakt paspoort van mijn vader in mijn bezit op naam van een Nederlandse handelsreiziger Jelis Mager, met een begeleidende brief voor de autoriteiten en een groot aantal perfect nagetekende landkaarten.

Afbeelding 24 Afbeelding 25 IMG_0002
Afbeelding 23 Afbeelding 22 Afbeelding 20 Afbeelding 19 Afbeelding 21 Afbeelding 18 Afbeelding 17

Afbeelding 10

Afbeelding 6a

Intussen hield het thuisfront zich bezig met het smokkelen van werktuigen in de pakketten die tot in 1944 via het Rode Kruis naar de gevangenen konden worden gestuurd. Ook werden er bivakmutsen en sjaals gebreëen. Hieronder een voorbeeld.

bivakmuts

In het laatste halfjaar van de oorlog was er geen communicatie meer mogelijk. Wij kwamen gelukkig goed door de hongerwinter heen maar na de bevrijding zaten wij nog een aantal weken zonder nieuws over het lot van mijn vader, totdat hij opeens  sterk vermagerd, op een ochtend door een jeep werd thuisgebracht. De brief waarin hij de bevrijding van het kamp Neubrandenburg aan ons beschreef, ontvingen wij pas veel later. Na de oorlog ontving mijn vader een dankbetuiging van de staatssecretaris voor zijn verdiensten in het kamp. Na de oorlog werd bij benoemd tot directeur loodswezen Vlissingen en van 1949 tot 1956 was hij directeur-generaal van die dienst in Den Haag waar hij zijn loopbaan eindigde als vice-admiraal.

Riemke May-Callenfels